 |
 |
Herinner
je je de eerste beelden die je als kind getroffen hebben? Waren het
beeldverhalen, platenboeken of schilderijen?
Schilderijen vooral, denk ik. Mijn vader was architect van beroep,
maar hij wou in de eerste plaats schilder zijn. Van toen we nog heel
klein waren, nam hij ons vaak mee naar musea en tentoonstellingen.
Er waren ook veel kunstboeken bij ons thuis en veel tijdschriften.
We mochten hem helpen de prenten uit te knippen voor hij ze klasseerde.
Hij had een duidelijke opvatting over de hiërarchie in de kunst.
Voor hem stond de schilderkunst boven alle andere kunsten. Binnen
de schilderkunst zelf maakte hij steevast een onderscheid tussen de
grote schilders en de kleine meesters. Ik was vaak onder de indruk
van werken van bombastische schilders of van graveurs voor wie mijn
vader niet de minste achting had.
Hij zette ons er ook voortdurend toe aan over te gaan tot de praktijk
en allerlei oefeningen te doen: papierknipsels, tekenen naar de natuur,
enz. We moesten ook geheugenoefeningen doen. Hij toonde ons een tekening,
draaide ze om en wij moesten proberen ze na te tekenen. Hij werkte
met modellen : hij liet ons uitgeknipte reproducties zien van Matisse
of van Picasso en wij moesten in dezelfde stijl werken. Het werk en
het commentaar werden niet van elkaar gescheiden.
Je
zegt, wij. Maar dat heeft hij vast niet gedaan met al zijn kinderen.
Heeft hij al vroeg aangevoeld dat jij er meer ontvankelijk voor was
dan je broers en je zussen?
Precies. Hij wou ons allemaal dezelfde opvoeding geven, op ieder van
ons dezelfde druk uitoefenen, maar het boeide sommigen van ons meer
dan anderen. Ik was de jongste van zijn zonen, zijn op een na laatste
kind. Misschien had hij voor mij wat meer tijd dan voor de oudste
kinderen. Hij heeft vaak verteld dat hij voor het eerst gemerkt had
dat ik echt aanleg had, toen ik de Libanese ceder in onze tuin getekend
had. Hij zei: Ik merkte dat je hem echt goed geobserveerd had.
Hoe
oud was je ongeveer?
Ik moet nog erg jong geweest zijn, een jaar of vijf, zes. Mijn moeder
vertelde dat ik, van toen ik twee jaar was, altijd een potlood in
mn handen had. Later heeft mijn vader me steeds meer aangemoedigd.
Hij vond mijn grafische oefeningen belangrijker dan mijn huiswerk.
De
afbeeldingen die je het meest getroffen hebben hoorden vooral thuis
in de traditie van de kunstgeschiedenis. Maar er waren ook de beeldverhalen
die je broer je liet lezen. Wat was voor jou het verband tussen die
twee richtingen?
Het is waar dat die twee werelden bijna niets gemeen hadden. Aan de
ene kant was er mijn vader die alleen bij de grote Kunst zwoer. Aan
de andere kant was er mijn oudste broer Luc die me op schoot nam en
die voorlas uit zijn lievelingsstrip, Blake en Mortimer van Jacobs.
Voor mij belichaamde Luc het brutaal-zijn, de grapjes,
het genieten van een verhaal. Hij speelde die strips echt. Elk personage
kreeg een eigen stem, hij bouwde een hele sfeer op. Ze zaten echt
in gescheiden werelden. Mijn vader hield niet van beeldverhalen en
weigerde zelfs ernaar te kijken.
Vreemd
toch, want hij kende een paar van die auteurs...
Das waar. Hij heeft Jijé verschillende keren ontmoet
en ging naar zijn schilderijententoonstellingen. Hij hield best wel
van de schilderwerken van Jijé.
Hij moet gedacht hebben dat de arme man verdwaald was in de strip.
Bovendien kwam zijn visie tamelijk goed overeen met die van verschillende
striptekenaars van toen. Ook zij hadden een schilderkunstcomplex.
Denken we maar aan Jijé, maar ook aan Paul Cuvelier en zelfs
aan Hergé.
Ook aan Jacques Van Melkebeke, zoals hij voorgesteld wordt in het
onlangs verschenen boek van Benoît Mouchart. Hoewel hij meegewerkt
heeft aan scenarios van Hergé, Jacobs en nog een reeks
anderen, wou Van Melkebeke een groot schilder zijn en niets anders.
Bij het lezen van die biografie moest ik meer dan eens aan mijn vader
denken. Ook hij was altijd uiterst kritisch. Omdat hij zo veeleisend
was, had hij het erg moeilijk om kunst te maken. Hij maakte schets
na schets, er kwam geen eind aan het voorbereidend werk. Hij schoof
het moment voor zich uit waarop hij echt iets op doek zou zetten.
Hij droomde zijn werken meer dan dat hij ze schilderde.
Het
is symptomatisch dat hij zijn schilderijen nooit tentoongesteld heeft.
En jij, wat vond jij van zijn werken?
Het is erg vreemd. Ik denk niet dat zijn werken ooit een grote indruk
op mij gemaakt hebben. Waarschijnlijk waren ze te abstract om me echt
te bekoren. Pas toen ik samen met Luc bezig was aan de voorbereiding
van een postume retrospectieve tentoonstelling, besefte ik dat een
hele reeks werken van hem een enorme indruk op me gemaakt hadden.
Vooral de tekeningen van futuristisch uitziende steden die hij maakte
toen hij grote architectuurwerken uitvoerde in het Brusselse stadscentrum.
Hij sloopte de stad met grote halen van zijn potlood. Die nogal futuristische
schetsen hebben vast meer indruk op me gemaakt dan ik dacht.
En wat jij tekende als kind? Leek het meer op
de schilderijen die je vader je toonde of op de beeldverhalen die
je met Luc las?
Naast de oefeningen die mijn vader me oplegde, tekende ik vooral strips.
Dat betekent imiteren en hard labeur. Ik tekende achtervolgingen met
autos, oorlogstaferelen...
Wanneer drong het tot je door dat tekenen je beroep zou worden?
Ik heb er altijd van gedroomd tekenaar te worden, maar ik was nogal
verlegen, bezorgd. Ik was bang dat het me niet zou lukken. Verbazend
genoeg wou ik geen schilder worden of zelfs geen architect. Ik had
meteen begrepen dat het niet de weg was die ik wou inslaan. Beeldverhalen
tekenen, illustreren, verhalen vertellen, dat wou ik doen. Ik wist
het wel zeker.
Een boek dat indruk op je gemaakt heeft was
de grote verzameling platen uit Little Nemo van Winsor McCay. Had
je de indruk, terwijl je het boek las en naar de tekeningen keek,
dat het sterk verschilde van andere beeldverhalen?
Veel dingen hebben meegespeeld in mijn fascinatie voor dat album.
Eerst is er het boek zelf, het erg grote formaat, de dikte, het feit
dat er bijna een heel oeuvre in vervat zit. Er was een groot verschil
met wat het beeldverhaal, onder meer het Belgische, op dat moment
te bieden had. Ik had een hele tijd gespaard om dat boek te kunnen
kopen. Het duurde maanden voor ik het boek uit had, omdat ik zo genoot
van elke bladzijde. Ik verdiepte me in die tekeningen, in dat universum.
Ik hield van het duizelingwekkende ervan, van het vreemde perspectief.
McCay is me blijven fascineren. Een van de enige originele stripplaten
die ik heb, is een bladzijde van Little Nemo. Verbazend en waarschijnlijk
erg symptomatisch detail is dat het album me niet opgevallen was tussen
de andere strips. Ik heb het ontdekt in een gewone boekhandel met
een uitgebreid assortiment kunstboeken, de lievelingsafdeling van
mijn vader. En Little Nemo lag daar, in de afdeling kunstboeken, naast
een paar gedurfde albums van Eric Losfeld, zoals Barbarella
en La Saga de Xam.
Je mocht ook graag je tekeningen reproduceren,
krantjes maken zoals het schoolkrantje dat we nog samen in het college
gemaakt hebben.
Ja, soms tekende ik op overtrekpapier, op stencil of op carbonpapier.
Die technieken gaven vaak een teleurstellend resultaat, maar ik kon
er mijn tekeningen mee verspreiden. Het liefst maakte ik zelf boeken.
Ik knipte strippaginas in tijdschriften uit en bond ze zelf
in. Daarna begon ik tekeningen te maken om teksten van vrienden te
illustreren. Ik maakte ook het boek. Die liefde voor het boek, met
zijn band, zijn schutbladen, het beletteren van de kaft, was voor
mij essentieel. Die dingen waren innig verbonden met het plezier van
het tekenen. Dat is nu nog zo.
Wat opvalt in de tekeningen die je als adolescent
maakte, ik denk hier aan Mutation, het beeldverhaal dat je op je zestiende
publiceerde in Pilote, is dat je toen al de arceertechniek toepaste
die je in verschillende van je latere albums. Nochtans maakt die techniek
geen deel uit van de traditie van de Belgische strip, maar eerder
van die van de graveerkunst, de illustraties van 19de eeuwse romans,
zoals die van Jules Verne. Weet je hoe het komt dat je je aangetrokken
voelt tot dat soort tekeningen?
Ik denk dat ik toen al hield van alles wat je de gelegenheid biedt
om op reis te gaan in een beeld, om te dromen en erin te verdwalen.
Voor mij is die band tussen de romanillustraties en de strip erg natuurlijk.
Het zijn kleine werelden waarin je een tijd kunt vertoeven. Ik hield
ook veel van de gewassen tekeningen van Paul Cuvelier, in de eerste
albums van Corentin, die verscheidenheid van grijstinten,dat spelen
met licht en met diepte. Ik hield ook van de nauwkeurigheid en het
gevoel voor detail van Jacobs.
Wat sprak je vooral aan? Het geduldwerk, het
werk van de miniaturist?
Ja, en zelfs het aspect hard labeur. Terwijl ik tekende
genoot ik er tijd aan te besteden, binnen te gaan in de tekening,
ze te bewerken, uit te diepen...
Ik had geen haast om ze klaar te hebben.
Je vond en je vindt misschien nog altijd dat
een tekening wel beter moét zijn als je er uren en zelfs dagen
aan werkt?
Ja, misschien is dat een overblijfsel van de joods-christelijke opvoeding
die waarde hecht aan het lijden. Iets dat gauw gemaakt is, brengt
me van streek. Heel lang heb ik gedacht dat je ontzettend lang aan
een tekening moest werken voor je ze mocht laten zien. Vandaag heb
ik ook bewondering voor andere, meer gestuele stijlen,
maar ik denk niet dat ik het zo zou kunnen.
Wat viel je in het begin van de jaren 70
het meest op in de evolutie van de strip?
Ik was een trouw lezer van Pilote. Ik was echt weg van de Philémon
van Fred.
En ik liep natuurlijk ook warm voor Druillet, meteen al toen zijn
eerste tekeningen verschenen. Ik hield ook van Mézières,
Giraud, Gotlib en nog een hele reeks anderen.
Pilote beleefde zijn beste jaren. Mijn broer en ik vochten er elke
week om, hoewel we andere dingen leuk vonden. We hadden afstand genomen
van Belgische beeldverhalen die verschenen in stripbladen zoals Kuifje
en Robbedoes.
Je bent dan naar het Institut Saint-Luc gegaan,
naar de stripafdeling die geleid werd door Claude Renard. Heb je het
gevoel dat dit je evolutie ingrijpend veranderd heeft?
Heeft het je ontvankelijk gemaakt voor nieuwe stijlen en nieuwe technieken?
Het was zeker zo dat de manier waarop Claude Renard de strip toen
zag, de culturele referenties die hij eraan toevoegde, nogal wat gelijkenissen
vertoonde met de visie van mijn vader. Claude wou de strip uit zijn
getto bevrijden, van zijn goed bijgeschaafde methoden. Dat heeft zeker
bijgedragen tot onze toenadering.
Er moet gezegd worden dat die nieuwe wind er
nodig moest komen. De Belgische strip zat vast, zowel wat themas
als wat technieken betreft. Je hebt trouwens zelf een onaangename
ervaring gehad bij Spirou (Robbedoes).
Ja, ik toonde hen mijn werk en zij stelden voor dat ik een Verhaal
van Oom Wim zou tekenen. Ik aanvaardde omdat ik dacht dat het een
onvermijdelijke stap was.
Ik had gelezen dat veel van de auteurs die ik apprecieerde op die
manier begonnen waren. De toenmalige hoofdredacteur, Thierry Martens,
gaf me een scenario over circusspelen in het oude Rome. Ik stond versteld.
Er werd van mij verwacht dat ik een scène tekende waarin olifanten
koorddansen. Ik belde de scenarist. Hij zei doodleuk dat als ik dat
koord niet zag zitten, ik ze maar moest tekenen op een houten balk
! Wat even belachelijk was. Ik heb die olifanten dan maar getekend
op een houten balk, zonder dat ik er zelf ook maar één
seconde in geloofde.
Ik heb die tekeningen trouwens kapot gescheurd. Zo ontevreden was
ik erover.
Die kortstondige ervaring bezorgde me een schok. Ook omdat ik als
kind weg was van de verhalen van Oom Wim. Ik vond ze toen erg leerrijk.
Ineens ontdekte ik dat ze gemaakt werden met een totale nonchalance.
Ik besefte vooral dat ik geen verhalen kon tekenen die me niet echt
boeiden, verhalen waarin ik niet geloofde.
Ik voelde me dan ook echt opgelucht toen ik op Saint-Luc tekenaars
en tekenaressen leerde kennen die dezelfde ideeën hadden als
ik. Daar zijn veel vriendschappen voor het leven ontstaan. Met Claude
Renard, natuurlijk, maar ook met Benoît Sokal, Alain Goffin,
André Moons, Séraphine, Chantal De Spiegeleer.
Ik bofte dat ik thuis een groot atelier had waar aanhoudend vier of
vijf studenten kwamen werken, soms hele nachten. Ik werkte enorm veel.
Tijdens mijn studie begon ik geregeld te publiceren in Métal
Hurlant. Verhalen samen met Claude en met mijn broer Luc, waarvan
ik altijd medescenarist was.
Dat kenmerkt je hele werk volgens mij. Dat geldt zowel voor strips
als voor de rest, zelfs voor een gewone illustratie. Je kunt niets
tekenen waarvan je niet de auteur of de coauteur bent. Je zou bijvoorbeeld
maar moeilijk kunnen tekenen naar een storyboard van iemand anders...
Dat klopt. Ik heb het een of twee keer gedaan, helemaal in het begin,
voor een commerciële opdracht. Maar die tekeningen kun je maar
beter meteen vergeten.
Wat heb je gehad aan het tekenen samen met Claude
aan De Medianen van Cymbiola en De Rail. Die twee albums hebben jullie
bladzijde voor bladzijde, lijn voor lijn, samen getekend.
Het eerste voordeel van zon samenwerking, en vooral van zon
hechte, weinig hiërarchische samenwerking is dat je je complexen
kwijt raakt. Je kunt makkelijker op het terrein van de ander komen,
omdat je weet dat de ander er is. Claude had meer ervaring met grafiek
dan ik, met lay-out, de invoeging van tekst in het beeld.
Daardoor kon ik het me veroorloven gedurfde dingen te tekenen. Hij,
van zijn kant, waagde zich aan vreemde kadreringen, bizarre perspectieven,
omdat hij wist dat ik er was. We hadden natuurlijk ook gemeenschappelijke
gebreken, zoals de manier waarop we de personages typeerden. Maar
er waren ook hoogtepunten, momenten van een erg grote vrijheid. De
tekening ging vlot over van de ene hand naar de andere, met verschuivingen,
met de soepelheid die het potlood in de hand werkt.
Had je de indruk dat het een fase was in je
vorming of ben je nog steeds voorstander van dat soort samenwerking
op het terrein zelf van het beeld? Zou je je kunnen inbeelden dat
je vandaag hetzelfde deed met een schilder, een fotograaf of een tekenaar?
Dat soort ervaringen zou je continu moeten hebben. Ik heb de laatste
jaren enkele ervaringen gehad met gekruiste beelden met
fotografe Marie-Françoise Plissart en met mijn vriend Thierry
Umbreit. Maar algemeen beschouwd hebben die ervaringen zich verplaatst.
Soms naar de audiovisuele media. Zo heb ik bijvoorbeeld samengewerkt
met Raoul Servais en Maurice Benayoun. Maar vaker nog naar de scenografie.
Het is een ver doorgedreven dialoog over het beeld, maar niet meer
binnenin de tekening, zoals toen met Claude.
Het is interessant dat het ook met Claude was
dat je je eerste ervaringen opdeed met andere beelden dan striptekeningen.
De eerste affiches en zeefdrukken, de eerste portfolio, de eerste
keer dat je meewerkte aan een film...
Het is des te interessanter omdat Claude een echte graficus is, terwijl
ik in de eerste plaats tekenaar ben. Zelfs als die eerste beelden
niet altijd even geslaagd waren, heb ik toch veel geleerd van het
contact. Daardoor kreeg ik nieuwe ideeën.
Wat opvalt als je je levensloop bekijkt, is dat je echt begonnen bent
als auteur van beeldverhalen. Door je strips, door de uitstraling
van je albums, liepen de eerste opdrachten binnen voor op zichzelf
staande tekeningen. Hoe zie je het verband nu tussen de eigenlijke
beeldverhalen en die geïsoleerde beelden, zoals affiches, illustraties,
etc.?
Ik besefte al snel dat die beelden rechtstreeks verband
houden met het beroep van striptekenaar. Het zijn natuurlijk geen
uitvergrote vakjes van een strip, maar het zijn ook geen illustraties,
geen affiches. En nog minder schilderijen. Het zijn rare beelden.
Als ze voortkomen uit de strip, zouden ze ook niet kunnen bestaan
in een beeldverhaal. Iedereen weet maar al te goed dat striptekenen
een lastige discipline is.
Alle tekeningen zijn met elkaar verbonden en moeten passen in de logica
van een plaat of een verhaal. Een té spectaculaire tekening
zou het verhaal doen vastlopen, omdat het te veel de aandacht trekt.
Maar het is ook zo dat wat het meest geslaagd is in een beeldverhaal
vaak de vakjes zijn die de lezer in gedachte ziet, zonder dat ze ook
echt bestaan.
Het lange werk aan een album wekt dus bij de tekenaar, bij mij in
ieder geval, het verlangen op om beelden te maken die behoren tot
hetzelfde universum, terwijl ze toch op zichzelf bestaan. Dat is een
manier om de frustratie te compenseren die kan ontstaan door het werken
aan een plaat. Tussen de boeken door, of gelijktijdig met de boeken,
is het echt leuk om grote beelden te kunnen maken, beelden die relatief
autonoom zijn. Door de druk die de strip uitoefent op de tekenaar,
door de hardheid van het medium, verlang ik soms naar die stijl van
beelden.
Een ander element dat deze beelden verbindt met de strip is eerder
thematisch.
Een album bestaat ook uit al wat je er niet in kunt stoppen, uit een
hoop ideeën die niet passen in het verhaal, uit paden die je
oversteekt en die je links moet laten liggen. Het boek stippelt een
weg uit door het thema dat je gekozen hebt. Als het klaar is, blijven
er veel mogelijkheden over om dieper te graven, om het thema uit te
diepen. Daarmee kun je de beelden voeden die je de volgende maanden
zult tekenen.
Ik ben me ervan bewust dat de beelden van dat genre die ik teken iets
bizars hebben. Het gebeurt vaak dat de oorspronkelijke opdracht een
affiche is, maar dat mijn tekening de mogelijkheid om er een tekst
in te schrijven in grote mate uitsluit of beperkt. Niet eens een titel
en dat is toch een toppunt. De beelden verdragen het ook slecht dat
ze uitgesneden worden of opnieuw gekadreerd, omdat ze proberen een
spanningsveld te creëren waarin alle elementen belangrijk zijn,
ook die op de kant. Ze hebben dus een vreemde roeping en vereisen
een bijzondere aanpak. Gelukkig kennen de opdrachtgevers die in de
loop der jaren naar me toe gekomen mijn werk steeds beter. Ze weten
precies wat ik kan en wat ik niet kan.
Ze weten dat ik geen echte affichetekenaar ben, zoals Joost Swarte,
maar dat ik ze iets anders kan bieden. Ik teken, denk ik, beelden
waarin je kunt reizen.
Zijn je tekeningen niet een beetje illustraties
van een ontbrekende tekst? Bladzijden uit een groot denkbeeldig boek?
Wat zou kunnen verklaren dat je achteraf de neiging hebt om ze weer
op te nemen in een boek als dit?
Jazeker, omdat ze erg verhalend zijn. Zo erg zelfs dat ze soms de
neiging hebben om zich in sequensen op te stellen. Om zin te hebben
om te tekenen, zelfs om een geïsoleerde tekening te maken, moet
ik mezelf een verhaal vertellen, ook al blijft het voor een stuk onuitgesproken.
Datzelfde vind je misschien ook bij een hele reeks Belgische schilders
en vooral bij Magritte en Delvaux. Het verband tussen de titel en
het doek, bij Magritte, zorgt voor een soort narratieve spanning.
Is die traditie belangrijk geweest voor jou?
Vreemd genoeg hield mijn vader helemaal niet van de surrealistische
schilderkunst.
Ik hield er wel van, maar ik was er niet echt mee verwant. Stilaan
en onder meer door mijn werk voor de film Taxandria, ging ik meer
voelen voor surrealistische schilderijen. Ook voor symbolisten zoals
Khnopff en Spilliaert. Ook hun schilderwerken zijn in een aantal opzichten
onzuiver en literair.
Wat vind je van de afbeeldingen,
zeefdrukken of affiches, die gemaakt zijn door striptekenaars? Ik
denk bijvoorbeeld aan die van Moebius...
Ze interesseren me in de mate dat ze hun dubbelzinnigheid aanvaarden,
hun hybridisch en onzeker statuut. Hun band met de strip.
Een band die ontstaat door de aanwezigheid van
een omtreklijn, de lijn die afbakent en insluit en die je bijna in
al je afbeeldingen terugvindt?
Ik heb heel wat pogingen gedaan om die lijn weg te halen, of toch
minstens gedeeltelijk. Het is interessant voor het werken met kleuren,
maar je verliest er precisie door, in de details en de verhalende
elementen. Als ik me interesseer voor tekenaars zoals Carl Larsson
of Bilibine, komt dat ongetwijfeld omdat ook zij de lijn behouden,
de fameuze ijzerdraad en ermee spelen. De lijn kan het
werken met licht of in de diepte beperken, maar zonder die lijn voel
ik me niet op mijn gemak. Misschien krijg ik dan het gevoel dat ik
de schilderkunst te dicht benader
en dat heb iknooit gewild. Misschien omdat je samen met de lijn ook
het verhaal zou moeten weghalen. Ik zou de indruk krijgen dat ik in
een soort niemandsland terechtkwam. Ik voel me vaak niet prettig bij
schilderijen van striptekenaars, door hun decoratief aspect, de manier
waarop ze aan de zijlijn blijven staan van de schilderkunst, door
de recente evoluties. Op dat vlak is er misschien iets overgebleven
van de opvattingen van mijn vader. Het is niet genoeg dat je olieverf
op een doek aanbrengt om schilder te zijn. De schilderkunst vraagt
een vorm van essentieel engagement. Het is geen bijbaantje.
Het valt op dat je ongeveer dezelfde techniek
gebruikt voor een geïsoleerde tekening als voor een striptekening.
Je werkt op papier, met ongeveer dezelfde werktuigen.
Je gaat stapsgewijs te werk. Je vertrekt van een vluchtige schets,
maakt er een potloodschets van. Daarna volgt het inkten en het inkleuren.
Ik zeg niet dat die stappen helemaal los staan van elkaar, maar volgens
mij zijn het toch verschillende fasen.
Dat klopt, dat is ook de meest courante manier van werken. Ik vertrek
van een idee, ik verzamel documentatie, ik maak een paar schetsen
om de compositie beter te kunnen inschatten. Maar soms gebeurt het
dat ik op een totaal andere manier werk.
Soms begin ik eraan, zonder exact te weten waar ik naar toe wil, direct
op het witte blad papier om te zien wat ervan komt. Ik wacht tot de
tekening zich volledig ontplooit. Het resultaat is uiteraard minder
zeker. Terwijl ik aan een tekening werk, krijgt het stukje bij beetje
vorm en betekenis. Dat kan niet als je strips tekent. Er is nog een
andere techniek die nogal bizar is. Je gaat uit van een foto of een
gravure, je vergeet de inhoud en houdt alleen de krachtlijnen over,
de ruimtelijke schikking. Wat ik er leuk aan vind is dat ik van methode
kan veranderen. Zo beleef ik er telkens weer plezier aan en vermijd
ik routine, de reflexen die ontstaan door de jarenlange ervaring.
Vergeet nooit dat de strip de neiging heeft om de auteur te doen functioneren
in een zich herhalende context : hij moet dezelfde personages opvoeren,
dezelfde handelingen tekenen, in een stijl die zo homogeen mogelijk
is.
Met het risico dat het systeem vast komt te zitten. Een van de voordelen
van het geïsoleerde beeld is dat je het andersom kunt doen. Om
die reden kunnen alle manieren om te vernieuwen, alle methodes, alle
verplichtende regels interessant zijn als je wilt vermijden dat het
beeld te snel vorm krijgt, te mechanisch wordt.
Een van de dingen die me opvallen, in veel van
je tekeningen, is de samenhang tussen een vorm van precisie - de band
met het document, een bepaalde plaats - en de wil om iets te maken
dat anders is. Je wijzigt de schaal van een voorwerp, of je verplaatst
een gebouw naar een onwaarschijnlijke omgeving, alsof je tekeningen
altijd op een slappe koord moeten dansen tussen realisme en het irreële.
Als je iets wilt doen met een stad, of het nu Angoulême is of
Cherbourg, verzamel je een uitgebreide documentatie. Toch teken je
de stad nooit zoals ze is.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik in dat verband nooit weet wat ik doe
of waarom ik het doe. Achteraf probeer ik mijn project te rechtvaardigen
ten opzichte van de opdrachtgever. Ik vertel hem een verhaal dat min
of meer behoorlijk in elkaar zit en dat hem min of meer kan overtuigen.
Wat ik verteld heb aan de mensen van Cherbourg - over spookschepen,
over onderzeeërs, was niet datgene waar ik van vertrokken ben
om die tekening te maken. Ik ging op een wazigere, intuïtievere
manier te werk. De rechtvaardiging komt pas daarna.
Ik ben het met je eens. Maar wat mij opvalt, is dat je tekeningen
maar zelden van niets vertrekken.
Dat staat vast. Ik heb er behoefte aan gevoed te worden door concrete
elementen. Zij zijn het die me leiden. Op een of andere manier probeer
ik geen idee te hebben.
Ik weiger vooropgezette ideeën. Ik blader liever in fotoboeken.
Als ik enigszins kan, ga ik ter plekke kijken naar wat ik ga tekenen.
Zo is het gegaan met Cherbourg.
Ik laat me doordringen van een geur, een klimaat, een ruimte, maar
ook de mensen die ons rondleiden, door de verhalen die ze vertellen.
En misschien zelfs nog meer door wat ze niet vertellen en dat ik probeer
te gissen. Ik probeer ervoor te zorgen dat de dingen zich zelf aan
mij opdringen. Je geniet er het meest van als je niets fabriceert.
Heb je de indruk dat de tekening die je maakt
erg verschillend is al naar gelang je werkt met documentatie of een
reis ter plaatse? Het gebeurt uiterst zelden dat je ter plaatse tekent.
Dat is zo. Dat bewonder ik nochtans bij andere tekenaars. Maar ik
doe het zelden of nooit. Volgens mij hebben mijn tekeningen iets secundairs.
Ik maak gebruik van de kijk van iemand die al een kunstenaar is. De
schilderijen van de Oriëntalisten interesseren me zeker even
veel als wat ik daar zelf ter plaatse zou kunnen zien.
De manier waarop zij die plekken zagen, voegt een extra dimensie toe.
Misschien is het een zwakte, een beperking. Ik weet het niet. Maar
ik heb het gevoel dat ik niet gemaakt ben om een reizende kunstenaar
te zijn die op een onderwerp werkt.
Eigenlijk is dat een van de dingen die een afstand schept tussen jou
en de schilderkunst. In al wat je maakt, is er een verband met onzuiverheid
: de vermenging met een tekst en een verhaal voor de strips of met
andere beelden in het geval van de geïsoleerde tekeningen. De
schilderkunst veronderstelt misschien een directer confrontatie met
het doek?
Ja, ik ben zeker een man die recycleert. Ik voeg een extra laag toe,
ik verleng de beelden die me voorafgegaan zijn. Ik denk dat ik me
nogal hulpeloos voel voor de zuivere werkelijkheid. Dat brengt me
in de war. Maar dat zie je ook bij een groot aantal Belgische kunstenaars
: ze gebruiken het beeld als werktuig.
In dat verband kan het geen toeval zijn dat
de teksten van Walter Benjamin je zo geboeid hebben. Je bent duidelijk
een kunstenaar van het tijdperk van de technische reproduceerbaarheid.
Volgens mij apprecieer je de reproductie van een schilderij even zeer
als het echte schilderij. Niet toevallig zijn de muren van je atelier
bedekt met boeken.
Ja, en als ik naar een tentoonstelling ga, stort ik me op de catalogus.
Ik blijf een boekenmens. De emotie van het boek is niet te evenaren.
Ik heb in menig opzicht de indruk dat het boek een ideaal kader is
voor beelden.
Als je al die tekeningen ziet die je de laatste
twintig jaar gemaakt heb, wat maakt dan dat je ze geslaagd vindt of
mislukt? Als je er maar twee of drie mocht kiezen, welke zouden dat
dan zijn?
Welke beelden blijven hangen, welke beelden blijven overeind? Volgens
mij zijn dat de beelden die erin slagen een stuk van hun mysterie
te bewaren. Ik hou bijvoorbeeld van de tekening die ik gemaakt heb
in opdracht van Rolex, La Porte du Temps.
Ik hou ervan, plastisch gezien, maar waarschijnlijk ook vanwege de
goede relatie met de mensen die de opdracht gaven: er zit een vorm
van paradox in, bijna een provocatie. Die heb ik nodig om me op mijn
gemak te voelen.
In wezen zoek ik, en dat kun je niet vooraf plannen, een soort van
spanningsveld. Eerst en vooral tussen de opdracht en wat ik ermee
doe. De meeste van mijn tekeningen heb ik gemaakt na een opdracht.
Ik kom even terug op de tekening La Porte du Temps. Rolex
heeft een image dat staat voor luxe, perfectie, duurzaamheid. Ik vond
het grappig om die half vervallen deur te tekenen, die uitgeputte
archeologen, al dat zand dat voor een horloge de grootste bedreiging
betekent. Toch ben ik er, denk ik, tegelijk ook in geslaagd het beeld
een vorm van schoonheid te geven die maakt dat het aanvaardbaar blijft.
Het bekoort zonder overduidelijk te willen flatteren.
Soms drijf ik de provocatie te ver. Een bank had me een tekening gevraagd
voor een nieuw volledig geautomatiseerd agentschap, op het Schumanplein,
in het hart van de Europese wijk. Ik kon het niet laten. Het project
dat ik op papier zette was nogal hard. De werkelijkheid van die wijk
schemerde erin door. Ze hebben het project afgewezen, omdat ze het
te zwart vonden. Eigenlijk had ik het zelf gezocht.
Ik denk dat je relatie tot de opdrachtgever iets heeft van een pervers
spelletje.
Het beeld moet rekening houden met de opdracht en met de context,
maar ze mag er zich niet aan onderwerpen. Anders blijft het niet overeind
als beeld. Het is telkens weer zo: het klikt of het klikt niet.
Ja, ik vind dat een essentieel punt. Ik wil en kan geen beeld tekenen
waar ik niet in geloof. Ik kan niet werken met een idee als ik er
niet enthousiast over ben.
De beelden mogen niet slaafs zijn, want dat voel je.
Misschien komt het daardoor dat de opdrachtgevers voor je tekeningen
vaker instellingen waren dan commerciële bedrijven. Je voelt
je prettiger als je te maken krijgt met een stad of met een algemener
thema dan met een product.
Ja, dat zal best zo zijn. Maar dat betekent nog niet dat er in zulke
situaties geen spanningen kunnen zijn. Onlangs heb ik voor de Belgische
Senaat een tekening gemaakt. Je ziet dat indrukwekkende gebouw dat
overwoekerd wordt door grote bomen. Eerst wisten ze niet goed wat
ze ervan moesten vinden. Maar stilaan hebben ze zich het beeld eigen
gemaakt. Maar zeker niet meteen toen ze het zagen. Het was niet echt
evident. Ik hou wel van die weerstand, van dat soort relatie met degene
die het beeld gewild heeft, die er zo zijn eigen voorstelling van
had en aan wie ik iets anders voorstel en die zich tenslotte herkent
in dat beeld en eraan gehecht raakt.
Je kunt het vergelijken met de relatie tussen een architect en zijn
cliënt.
In het boek staan ook tekeningen die een beetje anders zijn. Die tekeningen
waren niet meteen bedoeld als beelden. Ze waren bedoeld als decorontwerpen.
Ik denk bijvoorbeeld aan de reeks tekeningen voor het project Fly
van Franco Dragone.
Verandert dat iets aan je manier van tekenen?
Ik werk ze niet op dezelfde manier uit, maar eigenlijk is mijn werk
niet fundamenteel anders. Zelfs als het beeld niet bedoeld is om gereproduceerd
te worden, is het toch gemaakt om te intrigeren, aan te zetten tot
dromen, iets te vertellen over de film of over de voorstelling. Het
grote verschil wat de meeste scenografen betreft, is dat er een verhaal
is. Dat is een van de dingen, misschien het enige, dat mijn tussenkomst
betekenisvol maakt. Wat de situatie ook moge zijn, ik wil een verhaal
vertellen.
Wat mij in dat opzicht steeds meer boeit, dat zijn de mogelijkheden
die eigen zijn aan de scenische ruimte. Misschien omdat ik er veel
gelijkenissen in zie met de strip.
In een scenografie of een voorstelling is er een kijkmoment dat toebehoort
aan de toeschouwer. Hij zoekt, kiest, wandelt over de scene zoals
in een stripboek. De mensen zien niet allemaal hetzelfde. Ze vertellen
niet allemaal hetzelfde verhaal
na de voorstelling. In de film is het precies andersom. Daar wordt
bijna alles overheerst door de tijd van de regisseur. Misschien voel
ik me daarom steeds meer aangetrokken tot de wereld van het levende
spektakel.
Brussel, 21 november 2003.
|
|
 |